De hoogstam is een typische cultuurboom. Vroeger vormde fruit een dankbare afwisseling op de vaak eenvoudige winterkost. Daarbij gebruikten boeren de gaarden bij hun bedrijf ook als huisweide voor het jongvee. Om te voorkomen dat het vee het fruit zou opeten, plantte men bomen met een stam van twee meter. Vandaar de naam hoogstamfruitbomen.

De afmeting van een huisboomgaard was vaak gering, maar de variëteit aan rassen verrassend groot.

Zo ontstonden diverse mixboomgaarden, zoals ze nu nog her en der te vinden zijn, met appel, peer, kers en pruim.
De bomen van iedere vruchtsoort zijn herkenbaar aan de vorm van de boomkroon.
De bolvormige kroon is karakteristiek voor de appel.

 

Perenbomen herkennen we aan de hoge , piramidale spitse kroon met spiltak.

 

 

Kersenbomen hebben een hoge ovale kroon.

 

 

De pruimenboom is frêle van afmeting en min of meer blokeivormig.